Slopen van de vijandelijke koningsstelling (5)

Botwinnik-Keres (Moskou 1952)

Via Facebook kwam ik een leuke partij tegen waarin de zwartspeler zijn loper op h2 offert. Deze partij was goed voor de schoonheidsprijs van de 2e KNSB-ronde. Naast een fraai stukoffer vind je ook nog enkele nuttige opmerkingen over de opening.  

Je zou denken dat de ruilvariant van het damegambiet wel helemaal uitgekauwd is. Maar dat valt gelukkig mee. Spelers als Botwinnik en later Kasparov hadden veel succes met de opzet waarin wit e4 doorzet. Een mooi voorbeeld is de partij tussen Botwinnik en Keres uit 1952. Hier en in talloze andere partijen gaat de zwarte loper naar e7.

Tegenwoordig is een wat andere opzet voor zwart in zwang gekomen. Zwart speelt de loper naar een actiever veld: d6. Vroeger was deze zet zeldzaam omdat er twee duidelijke nadelen zijn.

Ten eerste: wit heeft de bedoeling om de e-pion naar e4 en eventueel e5 door te schuiven. Als dat lukt kost het zwart een stuk vanwege het pionvorkje. Het tweede nadeel is de penning van het paard op f6. Luis Rodi behandelt de zwarte opzet uitgebreid in Yearbook 130 van New In Chess in het artikel ‘Why not 6…Bd6 in the Carslbad”. Ja, waarom ook niet? Verder lezen…

Lees meer »

Grootmeesters zijn ook maar mensen

Stelling 1

Wanneer je hoort dat een clubschaker al binnen enkele zetten glad verloren staat, dan kijk je niet vreemd op. Dat soort ongelukken gebeuren nu eenmaal.

Maar grootmeesters die eigenlijk na een zet of acht al kunnen opgeven? Dat komt toch een stuk minder vaak voor. 

Tja… wij hadden vroeger Jan Hein Donner. Donner was natuurlijk jarenlang een sterke grootmeester en stond in de jaren vijftig en zestig in Nederland aan de top. Hij versloeg ooit Bobby Fischer. Maar mijn schaakbewustzijn dateert van iets latere datum.

Dat waren de jaren zeventig. En toen was Donner duidelijk over zijn hoogtepunt heen. En dus herinner ik me Donner vooral om zijn ‘Donnertjes’. Van die korte partijtjes waarin hij al snel verloren stond.

Van de moderne generatie grootmeesters zou je verwachten dat ze hun openingsrepertoire van haver tot gort kennen en dus geen beginnersfouten maken. Nou…? Niet helemaal. Zie stelling 1. Deze stelling is het resultaat van een Caro Kann. Die opening dankt zijn toch wat vreemde naam aan twee mensen die voorzover ik weet nooit tot grote hoogten zijn gestegen: (verder lezen)…Lees meer »

Vuurspuwende draak

Diagram 1

De stelling hiernaast roept goede en ook wel pijnlijke herinneringen bij me op. Ik weet niet eens precies wanneer ik ben begonnen met schaken. Het was geloof ik net voor de hele hype die ontstond rond de match van de eeuw tussen Boris Spassky en Robert James Fischer.

Het begon met partijtjes tegen mijn vader en enkele vrienden. Aanvankelijk won mijn vader nog wel van me. Maar dat was snel verleden tijd.

Een van mijn favoriete openingen was de Drakenvariant van het Siciliaans. Het heeft eventjes geduurd voordat ik er goede resultaten mee behaalde. In de beginperiode ben ik een aantal keren zeer hardhandig van het bord getimmerd. Het valt ook niet mee om je te wapenen tegen het geweld dat witspelers ontketenen met de pionnenstorm op de koningsvleugel.

Lees meer »

Recensie: Begrijp wat je doet: deel 2 – Damegambiet structuren

Boeken over schaakopeningen zijn vreselijk populair. Je kunt jezelf afvragen waarom. Hebben wij soms de heimelijke wens om onze tegenstanders al in een vroeg stadium te slim af zijn? Of is het vanwege de angst om al na een zet of tien tegen een ruïne aan te moeten kijken? Leidt zo’n openingsboek werkelijk tot meer begrip en betere resultaten?

In dit verband moet ik je iets bekennen. In de loop der tijd heb ik heel wat boeken van mijn favoriete openingen verzameld. Maar écht gelezen heb ik ze niet. Nu kan ik met een zelfgenoegzame glimlach beweren dat ik ze als naslagwerk gebruik. Maar zelfs dat is een schromelijke overdrijving. Ze staan grotendeels stof te happen in mijn boekenkast.

Variantendoolhof

Het probleem dat ik met de meeste openingsboeken heb is dat ze de lezer overstelpen met metersdikke variantenbomen. En alsof dat niet genoeg is, ook nog eens subsubvariantenbomen van subvariantenbomen. De lezer ziet al gauw door de bomen het bos niet meer. Al die varianten nodigen niet uit tot even lekker lezen of naspelen. Op deze manier schaakopeningen bestuderen voelt als het uit je hoofd leren van een woordenboek. (verder lezen…)Lees meer »

Blijf met je tengels van mijn pion af!

Ik moet je wat bekennen. Ik ben nogal behoudend ingesteld. En vind het dus heel vervelend wanneer iemand mij al direct in de opening een pion ontfutseld. Gambieten zijn niet zo mijn stijl. Stel dat wij elkaar ooit op de 64 velden ontmoeten, dan is de kans minimaal dat ik je binnen tien zetten een pion cadeau geef. Tenzij ik blunder natuurlijk.

Toch kom ik er met mijn openingsrepertoire niet helemaal onderuit. Ik speel namelijk Catalaans. Dat is een oersolide opening. Over het algemeen mag wit daarbij, met goed spel van beide zijden, op een klein plusje rekenen.

Hoewel het een uitermate complexe opening is, met talloze varianten, gaat het er meestal niet heel erg heftig aan toe. De strijd brandt echter wel in volle heftigheid los wanneer zwart de pion op c4 van het bord hakt en probeert dit kleinood te behouden. Bijvoorbeeld: …..?Lees meer »

Een elegant slotakkoord

Wanneer jouw tegenstander het Londense systeem tegen je speelt, moet je goed weten hoe je dit aanpakt. Want als je het even verkeerd doet, is de kans groot dat wit korte metten met je maakt. Dit is een typerend voorbeeld.

Kenmerkend voor het Londense systeem zijn de zetten 1. d4 2. Pf3 en 3. Lf4. Wit kiest er voor om de c-pion nog even rustig te laten staan. Deze gaat meestal pas later naar c3. Je krijgt dan een soort van Slavische structuur. Maar dan met wit in plaats van zwart.

De witte loper gaat vervolgens naar d3 en kijkt al heel verleidelijk naar pion h7. Het paard verhuist van b1 naar d2 en staat klaar om zijn collega op f3 te hulp te schieten zodra deze zich in het strijdgewoel begeeft.

Het Londense systeem is uitermate solide. Een ander voordeel is dat wit weinig theorie hoeft te kennen. Hij kan dit systeem tegen diverse zwarte antwoorden op 1. d4 spelen. Bovendien zit er het nodige venijn in deze opstelling. Dat blijkt weer eens uit de partij in de diagramstelling.

Je kunt deze partij in z’n geheel naspelen. Op die manier zie je hoe wit zijn aanval opbouwt. Let er vooral even op dat zwart niet de beste verdediging heeft gekozen. Hij verzuimde de diagonaal van de witte loper op c2 te verstoppen.

In de slotstelling is het helemaal afgelopen. Zie jij hoe wit de partij binnen enkele zetten, op elegante wijze, beslist? Klik op deze link en je vindt de hele partij met de oplossing…

 

Hoe komt het Hollands aan haar naam?

Als je op zoek gaat naar de naamgeving van schaakopeningen kom je de ene keer verrassend veel informatie tegen en de andere keer bitter weinig. Hoe kwam het Frans bijvoorbeeld aan haar naam?

Het schijnt dat de Franse verdediging haar naam kreeg na een correspondentiepartij in 1834 tussen Londen en Parijs. Meer heb ik, via mijn online zoektocht, niet kunnen achterhalen. Over het Hollands weten wij gelukkig ietsje meer.

Je zou kunnen beweren dat er ten aanzien van het Hollands ook een Franse connectie is. Ene Elias Stein vond 1. – f5 de beste verdediging tegen 1. d4. Hij schreef hierover in 1789 een boek met de titel ‘Nouvel essai sur le jeu des échecs, avec des réflexions militaires relatives à ce jeu’. Dat klinkt behoorlijk Frans. Dat is niet zo gek als je weet wie Elias Stein was. (verder lezen)Lees meer »

Hoe schaakopeningen aan hun naam komen: Semi Slavische opening

alexander-aljechinMensen die niets van schaken afweten zullen zich ongetwijfeld verbazen over de vreemde namen die schakers aan hun openingen geven. Wij, als ingewijden, zijn er natuurlijk aan gewend. Maar weten wij ook waar die namen vandaan komen?

Hoe het Damegambiet aan haar naam komt, is nog wel te vatten. Alhoewel? Dan moet je wel weten dat het woord ‘gambiet’ staat voor een opening waarin een van beide partijen een pion offert. Maar als je dat weet, klinkt damegambiet wel logisch. Evenals koningsgambiet.

Overigens is het damegambiet veelal niet een echt gambiet omdat zwart de pion over het algemeen rustig laat staan. Maar hoe zit het met de Slavische opening? (verder lezen)Lees meer »

Rare openingszetten

Maak jij dat ook wel eens mee? Je bent aardig op de hoogte van de theorie van je favoriete opening en dan gooit je tegenstander roet in het eten met een rare zet die je nergens in de boekjes terugvindt. Dat is even slikken, want nu moet je zelf iets bedenken.

Het overkwam me eerder dit jaar. Laat ik maar gelijk met de deur in huis vallen: achter het bord kwam ik er niet goed uit (eufemisme voor: ik zat flink te prutsen). Mijn tegenstander speelde in het Catalaans 3. – Ld7 (zie diagram).

Deze zet lijkt op het eerste gezicht belachelijk. De loper staat de andere stukken lelijk in de weg. Toch zit er wel een idee achter. In het Catalaans en natuurlijk ook in het damegambiet heeft zwart vaak problemen met de ontwikkeling van zijn dameloper. Waar moet die naar toe? (verder lezen)Lees meer »

Trivia: waaraan dankt het Hollands haar naam?

Het Hollands ontstaat, zoals wij allemaal wel weten, na de zetten 1. d4 f5. Maar dat is natuurlijk geen antwoord op de vraag waar jij altijd al slapeloze nachten van hebt gehad.

Was deze opzet populair onder Nederlanders en kreeg de opening op die manier haar naam?

Nou, nee, niet direct. Grappig genoeg hebben wij Nederlanders er eigenlijk weinig mee te maken. Het was Elias Stein, afkomstig uit de Elzas (op de grens tussen Frankrijk en Duitsland), die in 1789 een schaakboek schreef met de titel:

Nouvel essai sur le jeu des échecs, avec des réflexions militaires relatives à ce jeu.

In het boek hield hij een pleidooi voor de zet 1… f5 als beste verdediging tegen 1. d4. Over wat de beste verdediging is, kunnen wij natuurlijk eindeloos van mening verschillen, maar het Hollands heeft nooit een geweldige status bereikt. Het wordt nog altijd als een tikkeltje verdacht gezien.Lees meer »