Valstrikken in de opening (2): het Englund gambiet

Het Englundgambiet is het lelijke broertje van het Boedapestgambiet. Zwart speelt meteen 1. – e5 als antwoord op 1. d4. En niet zoals bij het Boedapestgambiet pas na 1. d4 Pf6 2. c4 e5. Het Englundgambiet is een tikkeltje dubieus.

Het Boedapestgambiet daarentegen 1. d4 Pf6 2. c4 e5 is een stuk lastiger voor wit. Maar het Englundgambiet is niet helemaal zonder gif. Wit moet nauwkeurig spelen om goed uit de opening te komen. Past hij niet op? Dan draait het uit op een vreselijke mislukking! (verder lezen…)

Lees meer »

Rampen in de opening

Al vroeg in een schaakpartij kan er veel misgaan. Op laag niveau zijn allerlei ongelukken in de opening de gewoonste zaak van de wereld. Maar ook sterke spelers maken schieten soms bokken van formaat.

Wat zijn de meest voorkomende fouten in de opening?

  • Je stukken niet of verkeerd ontwikkelen
  • De koning in het centrum laten staan
  • Gebrekkige openingskennis
  • De essentie van de stelling niet begrijpen

In het eerste voorbeeld speelt wit kennelijk op de automatische piloot. Dat gaan wij veel vaker zien. Stukken ongedekt laten staan is een prima inleiding op onvoorziene brokken (verder lezen…)

Lees meer »

Valstrikken in de opening (1)

Nu het gewone schaakleven helemaal stil ligt, verplaatsen de activiteiten zich naar de virtuele wereld. Sinds kort geef ik online schaakles aan een groepje enthousiaste en talentvolle jeugdschakers. Afgelopen week was het onderwerp: rampen in de opening.

Gelukkig zijn er prima databases beschikbaar en is het makkelijk om te zoeken op korte partijen. Want je kunt op je klompen aanvoelen dat er dan in de opening iets vreselijk is misgegaan. Je kunt onderscheid maken naar twee categorieën:

  1. Een speler maakt een blunder zonder dat deze is uitgelokt door zijn of haar tegenstander.
  2. Een speler gaat in de fout omdat zijn tegenstander hem of haar daartoe heeft verleid.

In deze blog concentreer ik me op de tweede categorie. En daar is heel wat te beleven! Verder lezen…

Lees meer »

Slopen van de vijandelijke koningsstelling (5)

Botwinnik-Keres (Moskou 1952)

Via Facebook kwam ik een leuke partij tegen waarin de zwartspeler zijn loper op h2 offert. Deze partij was goed voor de schoonheidsprijs van de 2e KNSB-ronde. Naast een fraai stukoffer vind je ook nog enkele nuttige opmerkingen over de opening.  

Je zou denken dat de ruilvariant van het damegambiet wel helemaal uitgekauwd is. Maar dat valt gelukkig mee. Spelers als Botwinnik en later Kasparov hadden veel succes met de opzet waarin wit e4 doorzet. Een mooi voorbeeld is de partij tussen Botwinnik en Keres uit 1952. Hier en in talloze andere partijen gaat de zwarte loper naar e7.

Tegenwoordig is een wat andere opzet voor zwart in zwang gekomen. Zwart speelt de loper naar een actiever veld: d6. Vroeger was deze zet zeldzaam omdat er twee duidelijke nadelen zijn.

Ten eerste: wit heeft de bedoeling om de e-pion naar e4 en eventueel e5 door te schuiven. Als dat lukt kost het zwart een stuk vanwege het pionvorkje. Het tweede nadeel is de penning van het paard op f6. Luis Rodi behandelt de zwarte opzet uitgebreid in Yearbook 130 van New In Chess in het artikel ‘Why not 6…Bd6 in the Carslbad”. Ja, waarom ook niet? Verder lezen…

Lees meer »

Grootmeesters zijn ook maar mensen

Stelling 1

Wanneer je hoort dat een clubschaker al binnen enkele zetten glad verloren staat, dan kijk je niet vreemd op. Dat soort ongelukken gebeuren nu eenmaal.

Maar grootmeesters die eigenlijk na een zet of acht al kunnen opgeven? Dat komt toch een stuk minder vaak voor. 

Tja… wij hadden vroeger Jan Hein Donner. Donner was natuurlijk jarenlang een sterke grootmeester en stond in de jaren vijftig en zestig in Nederland aan de top. Hij versloeg ooit Bobby Fischer. Maar mijn schaakbewustzijn dateert van iets latere datum.

Dat waren de jaren zeventig. En toen was Donner duidelijk over zijn hoogtepunt heen. En dus herinner ik me Donner vooral om zijn ‘Donnertjes’. Van die korte partijtjes waarin hij al snel verloren stond.

Van de moderne generatie grootmeesters zou je verwachten dat ze hun openingsrepertoire van haver tot gort kennen en dus geen beginnersfouten maken. Nou…? Niet helemaal. Zie stelling 1. Deze stelling is het resultaat van een Caro Kann. Die opening dankt zijn toch wat vreemde naam aan twee mensen die voorzover ik weet nooit tot grote hoogten zijn gestegen: (verder lezen)…Lees meer »

Vuurspuwende draak

Diagram 1

De stelling hiernaast roept goede en ook wel pijnlijke herinneringen bij me op. Ik weet niet eens precies wanneer ik ben begonnen met schaken. Het was geloof ik net voor de hele hype die ontstond rond de match van de eeuw tussen Boris Spassky en Robert James Fischer.

Het begon met partijtjes tegen mijn vader en enkele vrienden. Aanvankelijk won mijn vader nog wel van me. Maar dat was snel verleden tijd.

Een van mijn favoriete openingen was de Drakenvariant van het Siciliaans. Het heeft eventjes geduurd voordat ik er goede resultaten mee behaalde. In de beginperiode ben ik een aantal keren zeer hardhandig van het bord getimmerd. Het valt ook niet mee om je te wapenen tegen het geweld dat witspelers ontketenen met de pionnenstorm op de koningsvleugel.

Lees meer »

Recensie: Begrijp wat je doet: deel 2 – Damegambiet structuren

Boeken over schaakopeningen zijn vreselijk populair. Je kunt jezelf afvragen waarom. Hebben wij soms de heimelijke wens om onze tegenstanders al in een vroeg stadium te slim af zijn? Of is het vanwege de angst om al na een zet of tien tegen een ruïne aan te moeten kijken? Leidt zo’n openingsboek werkelijk tot meer begrip en betere resultaten?

In dit verband moet ik je iets bekennen. In de loop der tijd heb ik heel wat boeken van mijn favoriete openingen verzameld. Maar écht gelezen heb ik ze niet. Nu kan ik met een zelfgenoegzame glimlach beweren dat ik ze als naslagwerk gebruik. Maar zelfs dat is een schromelijke overdrijving. Ze staan grotendeels stof te happen in mijn boekenkast.

Variantendoolhof

Het probleem dat ik met de meeste openingsboeken heb is dat ze de lezer overstelpen met metersdikke variantenbomen. En alsof dat niet genoeg is, ook nog eens subsubvariantenbomen van subvariantenbomen. De lezer ziet al gauw door de bomen het bos niet meer. Al die varianten nodigen niet uit tot even lekker lezen of naspelen. Op deze manier schaakopeningen bestuderen voelt als het uit je hoofd leren van een woordenboek. (verder lezen…)Lees meer »

Blijf met je tengels van mijn pion af!

Ik moet je wat bekennen. Ik ben nogal behoudend ingesteld. En vind het dus heel vervelend wanneer iemand mij al direct in de opening een pion ontfutseld. Gambieten zijn niet zo mijn stijl. Stel dat wij elkaar ooit op de 64 velden ontmoeten, dan is de kans minimaal dat ik je binnen tien zetten een pion cadeau geef. Tenzij ik blunder natuurlijk.

Toch kom ik er met mijn openingsrepertoire niet helemaal onderuit. Ik speel namelijk Catalaans. Dat is een oersolide opening. Over het algemeen mag wit daarbij, met goed spel van beide zijden, op een klein plusje rekenen.

Hoewel het een uitermate complexe opening is, met talloze varianten, gaat het er meestal niet heel erg heftig aan toe. De strijd brandt echter wel in volle heftigheid los wanneer zwart de pion op c4 van het bord hakt en probeert dit kleinood te behouden. Bijvoorbeeld: …..?Lees meer »

Een elegant slotakkoord

Wanneer jouw tegenstander het Londense systeem tegen je speelt, moet je goed weten hoe je dit aanpakt. Want als je het even verkeerd doet, is de kans groot dat wit korte metten met je maakt. Dit is een typerend voorbeeld.

Kenmerkend voor het Londense systeem zijn de zetten 1. d4 2. Pf3 en 3. Lf4. Wit kiest er voor om de c-pion nog even rustig te laten staan. Deze gaat meestal pas later naar c3. Je krijgt dan een soort van Slavische structuur. Maar dan met wit in plaats van zwart.

De witte loper gaat vervolgens naar d3 en kijkt al heel verleidelijk naar pion h7. Het paard verhuist van b1 naar d2 en staat klaar om zijn collega op f3 te hulp te schieten zodra deze zich in het strijdgewoel begeeft.

Het Londense systeem is uitermate solide. Een ander voordeel is dat wit weinig theorie hoeft te kennen. Hij kan dit systeem tegen diverse zwarte antwoorden op 1. d4 spelen. Bovendien zit er het nodige venijn in deze opstelling. Dat blijkt weer eens uit de partij in de diagramstelling.

Je kunt deze partij in z’n geheel naspelen. Op die manier zie je hoe wit zijn aanval opbouwt. Let er vooral even op dat zwart niet de beste verdediging heeft gekozen. Hij verzuimde de diagonaal van de witte loper op c2 te verstoppen.

In de slotstelling is het helemaal afgelopen. Zie jij hoe wit de partij binnen enkele zetten, op elegante wijze, beslist? Klik op deze link en je vindt de hele partij met de oplossing…

 

Hoe komt het Hollands aan haar naam?

Als je op zoek gaat naar de naamgeving van schaakopeningen kom je de ene keer verrassend veel informatie tegen en de andere keer bitter weinig. Hoe kwam het Frans bijvoorbeeld aan haar naam?

Het schijnt dat de Franse verdediging haar naam kreeg na een correspondentiepartij in 1834 tussen Londen en Parijs. Meer heb ik, via mijn online zoektocht, niet kunnen achterhalen. Over het Hollands weten wij gelukkig ietsje meer.

Je zou kunnen beweren dat er ten aanzien van het Hollands ook een Franse connectie is. Ene Elias Stein vond 1. – f5 de beste verdediging tegen 1. d4. Hij schreef hierover in 1789 een boek met de titel ‘Nouvel essai sur le jeu des échecs, avec des réflexions militaires relatives à ce jeu’. Dat klinkt behoorlijk Frans. Dat is niet zo gek als je weet wie Elias Stein was. (verder lezen)Lees meer »