Interview met Koos Stolk

Man in zwart T-shirt zit achter laptop aan een tafel met een kopje koffie.
Foto: Harry Gielen

Wie kent hem niet? Ik leerde Koos in eerste instantie kennen vanwege de afzender van de competitiemailtjes. Maar hij is veel meer dan dat. Hij is de man die men regelmatig achter het bord vandaan plukte vanwege zijn tomeloze inzet en zich graag bezighoudt met het organiseren van evenementen. Tegenwoordig uiteraard voor de schaakbond. Hij opereert het liefst een beetje op de achtergrond. Lees over zijn ambities, drijfveren en de mens achter de bekende naam.

Wanneer ben je begonnen met schaken en wie heeft het je geleerd?

Een vriend van een oudere broer was bij ons op bezoek en toen besloten we te gaan schaken. Hij heeft het me dus geleerd. Ik was toen een jaar of zeven, acht. Het eerste wat hij deed, was vragen:

“Zullen we een potje spelen?”

Hij zette me direct mat met het herdersmat. Dat was een behoorlijke afknapper; ik heb daarna tot mijn twaalfde of dertiende niet meer geschaakt.

Op de middelbare school, het Thomas a Kempis College in Arnhem, was er een schaaktoernooi. Ik deed mee en dat ging best goed; ik versloeg zelfs iemand uit het schoolteam. Daarna heb ik weer een hele tijd niet gespeeld. Wel af en toe een potje voor mijn plezier, maar niet bij een club. Pas op mijn vijfentwintigste zei een vriend:

“Zullen we vanavond naar de schaakclub gaan?”

Ik dacht:

“Ach ja, waarom niet?”

Maar ik vroeg wel of hij een boek voor me had om de basis weer even op te frissen. Ik kreeg deel 1 van Praktische schaaklessen van Euwe en Den Hertog. Dat boek heb ik in één dag doorgewerkt. Het meeste wist ik al; je schaakt weleens en je leest weleens wat, dus veel kwam me gewoon aanwaaien. Deel 2 had hij niet, dus dat heb ik zelf gekocht. Daarna zijn we naar de club gegaan en sindsdien schaak ik.

Tijdens het Kersttoernooi van 1985 besloten we om de Spassky’s op te richten. Dat verhaal heeft ook in SchakenNL (Nr. 2 -2025) gestaan. Maar daar stond dat we de oprichting in ‘De Drie Gezusters’ hebben gedaan. In werkelijkheid was het daar zo druk dat we uitweken naar de Blauwe Engel. Het was een kroeg waar je eigenlijk niet gevonden wilde worden, een beetje een ballentent. Ik vermoed dat ze het verhaal in SchakenNL bewust verfraaid hebben.

We wilden met ons vriendengroepje met elkaar in één team zitten. De speelkracht liep behoorlijk uiteen. Als je dan naar een grote club gaat, de meesten van ons waren inmiddels lid van de Schaakclub Groningen, dan heb je het niet voor het zeggen in welk team je speelt. Zeker als je niet allemaal even sterk bent. Dus richtten we onze eigen club op. Men zei ervan:

“Zoiets bestaat enkele jaren en dan houdt het op.”

Maar die club bestaat nog steeds. Ik ben één van de oprichters van de club, maar ik ben geen lid meer, omdat Groningen nu te ver van mijn bed is.

Hoe ben je het organiseren ingerold?

Ik doe dingen meestal fanatiek. Dat hadden ze bij Schaakclub Groningen natuurlijk ook door. En toen vroegen ze na zo’n jaar of twee:

“Wil jij intern competitieleider worden? Want je komt elke avond op de club.”

Ik reageerde positief en heb het jaren gedaan. Als intern competitieleider moet je ook weten hoe die regels zijn. Er komen gewoon dingen voor waar je uitspraak over moet doen. Dus toen ben ik, voor mezelf, de schaakregels gaan leren, maar ik had niet de intentie om daar verder mee te gaan. Maar toen, ik denk dat het 1989 was, zat ik weer klaar voor het kersttoernooi in Groningen. Ik zat al achter het bord. Maar dat liep anders dan gedacht. Ze plukten me achter het bord vandaan en zeiden:

“We hebben nog een arbiter nodig. Wil jij dat doen?”

Dat is het verhaal van mijn leven. Men plukt me telkens achter het bord vandaan en zegt:

“Je moet meehelpen!”

Ik heb toegestemd en vanaf dat moment ging ik meehelpen bij het schaaktoernooi. Ergens in 1992 of 1993 vroeg Johan Zwanepol, de toernooi­directeur, of ik meer voor het schaaktoernooi wilde doen. Dus ik ging meehelpen met de inschrijvingen en vervolgens met het maken van het toernooi­boek na afloop. Op die manier werd ik bij de organisatie betrokken. Daar kwam heel wat bij kijken, want in 1997 organiseerden we een knock-out toernooi voor het FIDE wereldkampioenschap.

En toen kwam de stap naar de schaakbond?

Nadat ik dat een paar jaar had gedaan kwam in 1997 de directeur van het bondsbureau naar me toe en vroeg:

“Wil jij voor de schaakbond komen werken?”

In eerste instantie heb ik het aanbod afgeslagen omdat ik niet uit Groningen weg wilde gaan. Mijn ervaring was dat als je in Groningen woont je de stad eigenlijk niet wilt verlaten. Zoals al mijn vrienden die Groningen verlieten, later allemaal weer terugkwamen, want Groningen is toch wel het summum. Drie jaar later zat ik wat minder lekker in mijn vel en besloot ik de directeur van het bondsbureau te bellen en vroeg ik:

“Is jouw aanbod nog steeds geldig?”

Zijn reactie:

“Kom maar praten!”

Sinds 2000 werk ik dus voor de schaakbond. Oorspronkelijk werd ik aangenomen voor de evenementen, zoals het NK. Mijn eerste NK was dat omstreden toernooi in 2000 waar de computer Fritz aan meedeed. Ik was toen nog een soort loopjongen. Later kwam de competitie erbij en ging ik steeds meer doen. Omdat het werk in Haarlem was, ben ik daar uiteindelijk ook gaan wonen. Eerst sliep ik enkele jaren bij een vriend in Amsterdam of in hotels, totdat ik een flat kreeg in Schalkwijk.

Doordat ik bij de schaakbond werkte, deed ik dus veel toernooien. Maar daarvoor deed ik in de jaren negentig natuurlijk ook veel toernooien. Ik ben begonnen met grote toernooien in Leeuwarden, zoals de VB Accountants toernooien. Toen was ik nog wedstrijdleider B (zo heette dat destijds). Vervolgens raakte ik in gesprek met Bert Breuker. Die zocht nog iemand die daar hoofdarbiter wilde worden bij het VB Accounts toernooi. Ik reageerde:

“Ja, dat kan ik wel!”

Ik had geen idee wat het inhield, maar dacht dat ik zoiets wel kon doen. Ik ben nooit bang om uitdagingen aan te nemen. Het was heel grappig. Want wat arbiter inhield wist ik onderhand wel. In 1993 en daarna heb ik heel snel de arbitercursussen doorlopen en benoemde men me tot internationaal arbiter. Dat gedeelte wist ik wel, maar rapportages maken voor ratings en titelresultaten, most ik mezelf aanleren.

Via Bert Breuker kreeg ik ook zo’n weekendtoernooi in Leeuwarden. Daarnaast deed ik een weekend­toernooi in Zwolle en veel kleine toernooien rond Groningen. Er was bijna geen toernooi in het noorden waarbij ik niet was betrokken. Bijna elk weekend was ik op pad om een toernooi te leiden of mede te organiseren.

Toen verhuisde ik in 2003 naar Haarlem. Dan denk je nou:

“Nu is het lekker rustig!”

Tot 2006 was ik, behalve bij Spassky’s, geen lid van een schaakclub. Ik wilde even rust aan m’n hoofd, want ik was ook competitieleider geweest van de Noordelijke Schaakbond en ik wilde eerst mijn leven opbouwen in de nieuwe stad waar ik terechtkwam. In 2006 werd ik lid van HWP Haarlem. Jeroen Schuil woonde destijds vlak bij mij en stelde HWP Haarlem voor. Ze spelen in de herensociëteit. Als je dat ziet denk je bij jezelf:

“Dit is het gewoon. Ik ga niet naar een andere club. Want het is een geweldige club!”

Dat bleek ook wel. Als je daar binnen kwam, keken altijd naar je achtergrond en hadden ze gesprekjes met de nieuwkomers. Ze doen het nog steeds. Ze peilen eerst wat voor vlees ze in de kuip hebben en of zo’n nieuwkomer iets voor de club kan doen. Uiteraard deden ze het bij mij ook. Maar eerst heb ik de boot afgehouden en reageerde met:

“Ik ga niet in het bestuur, want ik doe al zoveel in de schaakwereld. Dat doe ik niet.”

Maar uiteindelijk dacht ik:

“Nou ja, ik kan wel secretaris worden.”

Van secretaris ben ik doorgegroeid naar voorzitter van de HWP Haarlem. Ik doe dat nu sinds twee jaar. Maar een echte ambitie om voorzitter te zijn heb ik nooit gehad. Ik opereer liever op de achtergrond. Maar ik doe het nu twee jaar en dat gaat goed.

Doe je zelf nog wat aan schaken op dit moment?

Ik schaak zo nu en dan intern en ik zit in HWP 5, KNSB, dat is vijfde klasse. Dat gaat dit seizoen redelijk, ik heb drieënhalve tot vijf. Maar ik ben geen fanatiek schaker, ik studeer weinig en ik speel gewoon m’n potjes.

Wat vind je het leukste aspect aan schaken?

(Moet even nadenken) Eerlijk gezegd denk ik dat ik het organiseren het leukst vind.

Wat vind je daar het leukst aan?

Ik hou er van om de achtergrond alles te regelen. Aan alles te denken. Dat vind ik een hele leuke uitdaging. Het heeft me altijd aangetrokken en niet alleen met schaken hoor, ik heb het ook met andere zaken gedaan. Ik heb heel veel Magic-toernooien georganiseerd.

Twee mannen in gesprek achter een tafel met een microfoon in een zaal, omringd door houten wanden en een prikbord met documenten.
Foto: Harry Gielen

Wat voor een toernooien?

Magic the Gathering. Het is een kaartspel waar het erom draait om je tegenstander te verslaan. Je hebt beiden 20 levens en je wint als de ander zijn levens kwijt is. Er worden internationaal heel veel toernooien gespeeld, dat heb ik dus ook gedaan in de jaren 90. Dingen organiseren heb ik mijn hele leven gedaan. Het leuke is dat wanneer je iets organiseert je met een groep mensen bezig bent om iets neer te zetten. Het geeft veel voldoening.

Ik heb je leren kennen vanwege de competitiemailtjes van de KNSB, maar ik begrijp dat jij geen competitie­leider bent. Wat is jouw rol precies?

Ik ben administratief verantwoordelijk voor de competitie en assisteer de competitieleider. De competitieleider is een vrijwilligersbaan en ik doe al het werk. De competitie­leider doet dan uitspraken mogen die nodig zijn.

Wie is de competitieleider?

Dat is nu Erwin Denissen. Het is een fout die veel mensen maken. Ze denken dat ik de competitie­leider ben. Maar dat ben ik niet. Voor de competitie en de rating­verwerking ben ik het gezicht. Maar voor de rating­verwerking hebben we een rating­commissaris. Het onderhoud van de rating­website doet iemand anders. Ik stuur alles aan en geef aan hoe ik het wil hebben en ze maken het.

Heb je nog andere taken binnen de Schaakbond?

De ledenadministratie valt onder me. Dat zijn de drie grote dingen die onder me vallen op dit moment:

  1. Het hele proces van ratingverwerking
  2. De competitie
  3. De ledenadministratie.

Ik heb nog meer taken gehad, maar ik ben hem aan het afbouwen. Ik zit in mijn laatste jaar voor het pensioen en ik werk nog maar drie dagen in de week. Ik ben begonnen met evenementen en die ondersteun ik nog steeds. Dus het NK en het Open NK. Overigens ben ik daar niet meer voor mijn werk bij aanwezig. Bij het Open NK heeft men me wel ingehuurd door de toernooi­organisatie zelf.

Wat is je rol bij Tata Steel Chess?

Daar heb ik de titel ‘Coördinator amateurtoernooien’. Het komt erop neer dat ik de hele organisatie van de amateur­toernooien aanstuur. Er zijn zo’n 13 of 14 arbiters die de toernooien runnen en die stuur ik dan aan. Daarnaast doe ik de volledige inschrijving en zorg ik voor de verwerking van de resultaten. Bovendien ben ik de hoofd­arbiter van het amateur­toernooi. Maar ik kom amper in de zaal. Ik doe alleen maar zaken als er problemen zijn. Dus als ze protesteren tegen iets wat een arbiter gedaan heeft, dan ben ik de beroepsinstantie.

Het TATA-toernooi is natuurlijk heel vers. Maar wat zien we tegenwoordig? Ik weet niet hoe dat komt. Misschien door expats of ouders die helemaal niet begrijpen hoe de schaakwereld werkt? Of komt het door de instroom van op internet schakende spelers die tegenwoordig ook achter het bord kruipen? Ze hebben totaal geen idee waarvoor ze zich inschrijven. Dus mensen schrijven zich in en gaan dan later vragen, wanneer moet ik schaken? Het probleem doet zich vooral voor bij de weekend­vierkampen. De inschrijving liep heel snel vol. De dag van tevoren moet je je inschrijving bevestigen. Dat doen ze. En dan komen ze voor de eerste ronde niet opdagen. Dan vraag je:

“Waarom was je er niet?”

Dan krijg je antwoorden, zoals:

“Het kwam me niet uit.”

De geijkte reactie is:

“Waarom bevestig je het dan?”

Ze hebben geen idee wat ze aan het doen zijn. Maar er zijn dus ook, dan speelden ze op vrijdag en dan vragen die kinderen van die ouders of ze ook op zaterdag­ochtend moeten spelen. Mijn reactie:

“Ze moeten op zaterdag en op ook zondag spelen, want daar heb je voor ingeschreven!”

Maar dan kunnen ze plotseling op zaterdag niet, maar zondag weer wel. Er zijn heel veel mensen in de schaakwereld gekomen die totaal geen idee hebben wat toernooien inhouden. Dat vind ik zo frappant. Ik begrijp niet dat je ergens voor inschrijft en dat ze dan niet goed kijken waarvoor ze zich inschrijven. Ze betalen het ook nog. Het is iets dat sinds corona in de schaakwereld is geslopen en misschien ook in andere sporten, maar daar heb ik geen weet van.

Een man in een casual shirt en een vrouw in een witte blazer staan tegenover elkaar, terwijl ze elkaar een cadeau overhandigen. Achter hen is een oranje achtergrond met het logo van TeamNL.
Foto: Harry Gielen

Hoe gaat dat bij de toernooien tijdens de week, is het daar anders?

Ja, daar is het minder. Daar is men wat gedisciplineerder en bij de tienkampen loopt het nog beter.

Deze keer viel het me op dat de zaal wat meer ruimte bood. Heb ik dat goed gezien?

Ja, dat klopt. In de zin dat het iets minder vol was dan anders. We hebben er bewust aan gewerkt dat mensen niet meer zo boven op elkaar zitten. Er zijn natuurlijk altijd nog plekken die we kunnen verbeteren. Er waren nu vooral klachten over de plekken waar later de qualifiers zaten. Maar dat zal volgend jaar ook wel weer beter zijn.

Je hebt er al wat over verteld. Zijn er nog andere dingen die je tegenkomt?

Wat ik heel leuk vind is eigenlijk het speeltempo dat ze nu bij de grootmeesters weer gespeeld hebben. Daar krijgen ze de eerste 40 zetten geen increment. Ze krijgen pas increment na de 40ste zet. Het levert tijdnood op, echte tijdnood. Want het increment is volgens mij altijd bedoeld geweest voor de laatste fase van de partij. Het Haarlems Dagblad interviewde me zo’n tien jaar geleden. De kop die er boven stond was sprekend:

“Tijdnood, wat is daar eigenlijk mis mee?”

Een échte tijdnoodfase maakt het schaken zoveel leuker. Je ziet het ook, de grootmeesters van nu spelen heel veel slechte zetten in die fase. Ze zitten in situaties waarvan je voorheen dacht:

“Nou ja, ik moet nog drie zetten doen en ik heb nog twee minuten, niets aan de hand!”

De grootmeesters van nu zitten heel zenuwachtig achter het bord en ze maken ook forse blunders. Als dat vaker voor gaat komen, dan zullen ze er ook wel beter in worden, maar het is voor het publiek heel erg leuk. Een perfecte partij is natuurlijk mooi, maar we genieten veel meer van de blunders. Het maakt deze schakers net zo menselijk als gewone stervelingen. Ik zei dus ook gekscherend tegen mijn arbiters van een amateurtoernooi:

“Volgend jaar doen we het ook bij de amateurs!”

Ze gaan dit speeltempo ook bij het kandidatentoernooi doen en daarom hebben ze het bij Tata ook gedaan. De topspelers hadden daarom gevraagd want ze wilden dat tempo oefenen. Als we het nu weer invoeren bij de amateurs, dan heb je denk ik meer zaalarbiters nodig. Want dan is er veel meer begeleiding nodig. Tijdens tijdnood stopt het noteren natuurlijk ook. Het zal meer incidenten opleveren. Spelen zonder increment is een van de redenen waarom ik geen arbiter meer ben in de zaal. Dan zit je alleen maar een beetje politieagentje te spelen. Dat trekt me niet.

Ben ik nog iets vergeten te vragen waarvan je zegt “dat was wel belangrijk”?

Ik heb het al aangegeven. Ik stop met werken voor de schaakbond en dan begint er een nieuwe fase in mijn leven. Maar ik blijf wel actief. We gaan een nieuw weekend­toernooi opzetten in Haarlem. Het zal dit jaar plaatsvinden, maar het is nog niet naar buiten gebracht.*

Ik loop ook met plannen om seniorenschaak te gaan beginnen. Dus schaken overdag in Haarlem. De bedoeling is om een plek te vinden waar je elke dag terecht kunt. In het buitenland zie je dat ook. Daar heb je schaakclubs die gewoon elke dag open zijn. Bij ons beperkt een schaakclub zich tot een clubavond. Daar kun je overdag niet terecht. Meer dan de helft van de schakers is 50-plus. Als je kijkt naar de senioren kampioenschappen, die bestemd zijn 50 plus en 65 plus, die zitten allemaal hartstikke vol. Het is overdag en dat maakt het juist leuk. Ik denk dat er zeker behoefte aan is bij deze groep.

Interview met IM Nico Zwirs

Man met krullend haar speelt schaken aan een schaakbord, geconcentreerd kijkend naar de stukken.
Foto: Frans Peeters

Nico werd met zijn team Apeldoorn 1 kampioen van de Meesterklasse. Met een score van 6 uit 9 en een TPR van 2545 had hij daarin een belangrijk aandeel. Maar dat is niet het enige. Sinds enige tijd geeft hij trainingen en heeft hij via ChessBase al een flink oeuvre aan schaak-DVD’s opgebouwd.

Kun je me wat meer vertellen over je schaak­achtergrond, bijvoorbeeld hoe en wanneer je begon?

Mijn moeder leerde me schaken toen ik acht jaar was. Op de basisschool deed ik het best wel goed, dus zij dacht:

“Het is leuk om Nico eens een niet-schoolse uitdaging te geven.”

Dat werd schaken. Ik vond het meteen leuk en wilde overal waar ik kwam tegen mensen spelen, zoals bij mijn tante of op de buitenschoolse opvang. Al snel ontdekte ik dat er op mijn basisschool op dinsdagavond schaaklessen werden gegeven. Als je een achtjarige jongen bent en je kunt iets redelijk goed, dan ben je al gauw enthousiast. Zo is het ooit begonnen.

Lees meer »

Interview met CM Can Cabadayi

Can is een Candidate Master en FIDE instructeur, gevestigd in Zweden. Als u actief bent op Chessable of YouTube, hebt u waarschijnlijk al wel eens van hem gehoord of iets van hem gezien. Hij is een van de populairste auteurs op Chessable; misschien heeft u zelf wel een van zijn cursussen aangeschaft.

Zijn staat van dienst spreekt voor zich: hij won de ‘Community Author of the Year Award’ in 2022, zijn cursus Fundamental Chess Calculation Skills werd verkozen tot de beste tactiekcursus van 2023, en in 2024 werd Can zelf uitgeroepen tot Chessable’s Auteur van het Jaar. Moet ik nog meer vertellen?

Laten we erin duiken en kijken wat deze sympathieke coach – met zijn bijzondere schaakachtergrond – te vertellen heeft over schaken, coaching, training en nog veel meer.

Uit je biografie op Chessable begrijp ik dat je relatief laat bent begonnen met schaken. Wat wekte je interesse, wanneer begon je en wie heeft het je geleerd?

Mijn nicht leerde het me toen ik acht was. Zij zat op een privéschool in Istanbul waar ze schaakles gaven, maar op mijn school hadden ze dat niet. Dus leerde ze me in een zomervakantie de regels en ik was meteen verkocht. Ik herinner me nog dat ik het spel ontzettend fascinerend vond toen ze het me uitlegde. Ik speelde wel eens tegen mijn opa, maar dat waren gewoon wat potjes voor de lol; totaal niet serieus. Ik herinner me nog wat partijen die we speelden in zijn oude huis in Ankara. Helaas overleed hij toen ik elf was.

Later, rond mijn vijftiende of zestiende op de middelbare school, speelden we tegen vrienden in de pauzes. Een paar jongens namen schaaksets mee en dan speelden we wat. Dat was nog steeds heel informeel, maar wel competitief. Rond mijn zeventiende kreeg ik mijn eerste boek: Chess Fundamentals van Capablanca. Mijn oma kocht het voor me. Ik begon schaakboeken te lezen en werd serieuzer over het spel, hoewel ik nog steeds geen toernooien speelde.

Lees meer »

Interview met Jan Jaap Janse

Waar zou de schaakwereld zijn zonder mensen die er alles aan doen om het schaken tot een voor iedereen fijne aangelegenheid te maken? We spreken met iemand die niet alleen een belangrijke rol vervult in de Utrechtse schaakwereld maar ook op nationaal niveau als directeur van het NK in 2024.

Wanneer ben je begonnen met schaken en wie heeft dit je geleerd?

Ik kom uit een dorpje waar geen schaakclub was: Nieuw-Lekkerland, in de buurt van Dordrecht. Ik weet het niet meer precies, maar het schijnt dat mijn oma me heeft leren schaken.

Foto: Harry Gielen

Toen ik een jaar of 10, 11 was, bleek er een informeel schaakclubje in het dorp te zijn. Dat was zonder klok en men noteerde niet. Het waren vooral oudere heren. Waarschijnlijk heeft mijn opa toen gezegd:

“Mijn kleinzoon kan er ook wel wat van. Laat die maar meedoen.”

Daar werd ik uiteindelijk — niet gelijk het eerste jaar — kampioen. Verder lezen…

Lees meer »

Interview met IM Thomas Willemze

Een man zit aan een bureau omringd door stapels schaakboeken, met een glimlach op zijn gezicht.
Foto: New In Chess

Thomas is een sterke schaker, maar ik vermoed dat velen hem vooral kennen van zijn boeken en Chessable-courses. Thomas begon al vroeg met het geven van schaaktrainingen en heeft jong en oud beter leren schaken. Zijn grote kracht is vooral het begrijpelijk maken van moeilijke concepten.

Kun je me iets meer vertellen over jouw schaakachtergrond, bijvoorbeeld hoe heb je het geleerd en van wie heb je het geleerd en wanneer het serieus werd?

Ja, van wie precies, dat vind ik lastig om exact te herinneren. Het zou zomaar van mijn vader geweest kunnen zijn of misschien van mijn broer, dat weet ik niet meer. Wat ik wel weet is dat ik op mijn zesde verjaardag lid mocht worden van ‘Op Eigen Wieken’ een schaakclub bij mij in de buurt in Leiden – daar kom ik vandaan. Daar ben ik ooit begonnen. Mijn broer – Jeroen was daar al lid. Die is drie jaar ouder dan ik. Je moest zes zijn, of er was een wachtlijst. Het was toevallig op mijn zesde verjaardag dat ik daar mocht beginnen. Dus dat is wat ik me met name heel goed kan herinneren.

Daar heb ik heel lang gespeeld. Tot mijn twaalfde of dertiende was ik er lid. Je had daar een hele leuke groep ouders en heel veel enthousiaste kinderen. Dat was echt wel een perfecte plek om terecht te komen. Rob Brunia die liep daar ook al heel snel rond als jeugdtrainer. Hij heeft daar de stappenmethode geïntroduceerd en er voor gezorgd dat iedereen veel en enthousiast aan het schaken was.

Lees meer »

Kandidaatzetten: een snelle blik

Wit aan zet…

Deze puzzel zou 300 ratingpunten onder mijn standaardniveau (bij puzzels op Lichess) moeten zitten. Dus had ik hem snel moeten oplossen. Helaas was dit niet het geval. Ik keek, zocht, zocht nog meer en deed uiteindelijk een voor de hand liggende zet. Die was fout! Er volgden nog meer fouten. Ik was als een kip zonder kop bezig. Wat ging er mis?

Lees meer »

In de schijnwerpers: GM Ivan Sokolov

Foto door Harry Gielen

We kennen Ivan natuurlijk allemaal. Hij was een topspeler en tegenwoordig is hij actief als coach. Hij boekte zijn grootste succes als coach met Oezbekistan door de Olympiade te winnen in 2022. Maar dat is lang niet alles. Hij heeft diverse interessante publicaties op zijn naam staan en talloze boeiende en leerzame video’s geproduceerd. Kortom: hij heeft veel te vertellen!

Kun je me iets meer vertellen over jouw schaakachtergrond? Hoe en wanneer is jouw schaakcarrière begonnen?

Dat is een tijd geleden; dat was in 1974. Het was eigenlijk een normaal verhaal voor iemand uit een schaakfamilie. Mijn vader, Tsenko, ‘Cenko’, was een clubschaker. In die tijd kreeg je pas een rating vanaf 2200, dus hij was zogezegd ‘unrated’. Als ik het zou moeten inschatten, had hij een rating van ongeveer 2000 of zoiets.

Vanaf dat moment begon het allemaal. Ik speelde bij mijn schaakclub en deed in 1975 al mee aan mijn eerste toernooien. Het toeval wil dat Karpov in dat jaar wereldkampioen werd en op bezoek kwam in Sarajevo, de plaats waar ik toen woonde en ook ben geboren. Hij gaf een simultaan en ik speelde remise tegen hem! Dat heeft me een duwtje in de rug gegeven, want ik was pas zeven jaar oud. Zo is het begonnen en vanaf dat moment ging het rollen.

Wat vind je het leukste aspect van schaken?

Ja, dat is een moeilijke vraag. Wat ik een leuk aspect aan het schaken vind, is de strategische opbouw van het spel. En de wisselwerking tussen die strategische opbouw en dynamische afwikkelingen. Maar het gaat natuurlijk, ondanks alle mooie kanten van het spel, wel om het resultaat. Schaken is een sport, want jouw resultaat is meetbaar.

Lees meer »