Wat elke schaker van toreneindspelen moet weten (1)

Tijdens een schaaktraining bij ons op de club (sv Zukertort) gegeven door Eric Roosendaal werd ik me er pijnlijk van bewust dat mijn kennis van eindspelen flink te wensen overlaat. Ik was wel bekend met een aantal stellingen en manoeuvres, maar deze kennis was behoorlijk ver weggezakt. Deze training was een prima opfrisser.

Uiteraard heb ik ook het overvloedige materiaal wat ik bezit, maar nooit goed heb bestudeerd, geraadpleegd voordat ik me aan dit onderwerp durfde te wagen.

Een van de vele prima boeken in mijn bezit is ‘Dvoretsky’s Endgame Manual’ van de helaas te vroeg overleden schaaktrainer Mark Dvoretsky. Over toreneindspelen schreef Mark in zijn boek:

“Toreneindspelen zijn wellicht de belangrijkste en moeilijkste van alle eindspelen. Het meest belangrijke omdat ze in de praktijk veel vaker voorkomen dan andere eindspelen. Moeilijker omdat de student veel meer kennis moet opdoen vanwege de grote verscheidenheid aan mogelijkheden.”

Toreneindspelen kunnen behoorlijk ingewikkeld zijn. Nederige types zoals ik, bakken er soms helemaal niets van. Maar ook sterkere spelers gaan regelmatig in de fout. Talloze halve en hele puntjes gaan onnodig naar de verkeerde partij. Het is dus hoog tijd om aandacht te besteden aan de meest voorkomende eindspelen. Wellicht vraag jij jezelf af:

“Waarom komen toreneindspelen vaker voor dan andere eindspelen?”

Een belangrijke reden is de positie van de torens in de beginstelling. Ze staan op  de hoeken van het bord en komen vaak pas laat in het spel. En dus is de kans dat ze na alle schermutselingen overblijven ook een stuk groter.

Toreneindspelen zijn boeiend en razend moeilijk!

Je hoort wel eens zeggen dat de meeste toreneindspelen in remise eindigen. En dus zijn ze niet boeiend? Denk nog eens na! Toreneindspelen zitten vol met allerlei schitterende wendingen. Neem bijvoorbeeld de eerste stelling (zie hierboven). Wat zou jij hier doen met wit? (Verder lezen…)

Aardige kans dat je 1. e6 speelt. Daarmee geef je de pion dekking. Dat is toch logisch? Het mag logisch lijken, maar het levert wit niet meer op de een mager halfje. Hij kan echter winnen! Oplossing…

Als jij je tanden hebt stukgebeten op de eerste stelling en snakt naar meer, dan heb ik een tweede stelling voor je. Zwart staat 2 gezonde pionnen voor. Dat is toch ‘kat in het bakkie’? Nou, ook dat valt tegen.

Wat doet de zwarte koning op h3? En de zwarte toren op a7 dekt weliswaar beide pionnen, maar is een ‘tikkeltje passief’. De vraag is: kan wit het halve punt redden? De vraag zo stellen zet je vast op een spoor. Ja, dat is inderdaad mogelijk. Maar hoe?

Belangrijke (vuist)regels voor toreneindspelen

Ik kan je nog veel meer voorbeelden geven van verbazingwekkende tactische wendingen in toreneindspelen. Maar het is de vraag of dat nuttig is (wel leuk hoor!). Praktische spelers willen graag vuistregels hebben. Het is verstandig om met relatief eenvoudige situaties te beginnen. Ik denk dan aan toreneindspelen met weinig materiaal. Die vormen de basis voor meer complexe situaties.

Afsnijden (1)

Een belangrijke vuistregel is:

“Als je de vijandelijke koning kunt afsnijden van het strijdtoneel, dat moet je dat doen!”

Het is natuurlijk altijd een goed idee om de samenwerking tussen de vijandelijke stukken te verstoren. Zie bijvoorbeeld stelling 3. Toegegeven de witte koning en toren staan op een merkwaardige plek. Hoe is de witte monarch daar ooit verzeild geraakt? Betekent dit dat zwart vrij spel heeft om zijn pion te laten promoveren?

Niet direct. Want wit speelt simpel 1. Tg5 en snijdt daarmee de zwart koning af van de voetsoldaat die hem nog redding kon brengen in deze stelling. Dat is zijn pion op c4. Zie hier wat het vervolg zou kunnen zijn (opgeven is de beste optie!). Hieruit kunnen wij een belangrijke vuistregel destilleren:

“Als de pion nog niet gevorderd is tot de 5e rij, dan is afsnijden van de ondersteunende koning meestal een winnende optie.”

Dezelfde methode werkt natuurlijk ook prima met een zwarte koning op de 6e en 7e rij. Maar stel jezelf nu eens voor dat wij de zwarte stukken een rij naar onderen verplaatsen. Hoe staat de zaak er dan voor?

Eigenlijk heel simpel: afsnijden werkt nu niet meer omdat wit te weinig ruimte heeft om zijn torenmanoeuvre uit te voeren. Wit moet dus genoegen nemen met een half puntje.

Afsnijden (2)

Zie diagram 4. Als de zwarte koning en toren de kans krijgen om samen te werken, dan kan wit het wel vergeten om zijn pion naar de overkant te brengen. Maar wit is aan zet. De juiste zet ligt nu voor de hand:

“Afsnijden!”

Dat is toch logisch? Hij speelt 1. Tf1 en zwart is hopeloos verloren.

Wellicht zeg je nu:

“Dat is allemaal leuk en aardig, maar werkt het ook nog als er meer materiaal op het bord is achtergebleven?”

Afsnijden (3)

Het juiste antwoord is natuurlijk:

“Dat hangt er vanaf!”

Elke situatie is weer anders. Neem bijvoorbeeld diagram 5. Ook als er meer pionnen op het bord zijn achtergebleven kan afsnijden nog steeds prima werken. Wit staat een pion voor. Maar de achtergebleven pion op f2 is nou niet bepaald een pronkstuk.

Ook zwart heeft een problematische pion. De pion op d5 ontbeert dekking. Zou wit aan ze zijn, dan strijdt zwart voor een verloren zaak (1. Kc5 en de d-pion gaat in de doos). Maar het is de beurt aan zwart. Zo langzamerhand weet je wel wat je met zwart moet doen. Toch?

In de volgende afleveringen over toreneindspelen, zul je zien dat afsnijden een prima wapen is voor de toren.

Andere afleveringen uit deze serie:

Bronnen:

Geef een reactie