Een belangrijk aspect bij het oplossen van schaakproblemen is je blik verbreden. Over het algemeen zijn er in een stelling meerdere mogelijkheden oftewel: kandidaatzetten. De vraag is: onderzoeken we die altijd?
Het antwoord, ik spreek nu even voor mezelf, is met enige regelmaat: nee. Ik bespeur bij mezelf de neiging om al heel snel richting een bepaalde zet de denken. In dit geval vertelde mijn intuïtie me:
37. Ph5+
Maar is dat de enige mogelijkheid? Natuurlijk niet. Wit heeft twee schaakzetten:
37. Ph5+ en 37. f6+
Het is vaak verstandig om eerst naar de meest dwingende zetten te kijken. Het is de bekende volgorde:
- Schaakgeven
- Slaan
- Dreigen
Maar laten we voordat we de beste zet proberen te selecteren even naar de stelling kijken. Dat is verstandig. Want soms zet onze intuïtie ons totaal op het verkeerde been. Bijvoorbeeld: je meent een bepaald patroon te zien en slaat daarop aan. Doordat je nog geen overzicht hebt over de hele stelling mis je mogelijk een eenvoudige stukwinst op een ander deel van het bord. Ik schaam me diep: maar het overkomt me wel eens.
Een ander goed idee is om even naar de materiële verhouding te kijken. Dat deed ik bij een opgave niet altijd. Met als gevolg? Ik zocht naar een tactische oplossing terwijl het correcte antwoord super eenvoudig was: wit stond in de betreffende stelling twee pionnen voor en een afwikkeling naar een gewonnen eindspel was de beste oplossing.
Terug naar de stelling. Wit staat een kwaliteit achter. Zwart heeft ook een dreiging op de damevleugel. Na b2 of bxa2 is het nog een kwestie van één zet alvorens de pion zich trots ‘dame’ mag noemen. En hoe zit het met de veiligheid van beide koningen?
Goed beschouwd is geen van beide koningen veilig. Zwart heeft bijvoorbeeld Dxe4+ en nog een beetje erger Dxf1+. Essentieel in deze stelling is dat wit aan zet is. Dus terug naar de mogelijke kandidaten. Mijn eerste gedachte was 37. Ph5+ maar dat leidt tot niks. Bijvoorbeeld:
37. Ph5+ Kg8!
En wit heeft geen goede voortzetting meer. Met andere woorden: zwart wint. Gek genoeg keek ik aanvankelijk nauwelijks naar 37. f6+! Ik bleef eigenwijs volharden om mijn gedroomde kanidaat toch nog te laten werken. Maar dat lukte dus niet. Dan toch maar even naar die andere zet kijken? Een aanleiding om die zet te negeren was de penning die er over de f-lijn inzit. En natuurlijk omdat het veld f6 gedekt wordt door drie stukken (beide torens en de koning).
37. f6+!
Wat ik in eerste instantie dus helemaal over het hoofd zag was dat wit een stuk naar het veld f6 kan lokken en het daarna gewoon kan pakken:
37. … Tfxf6 38. Ph5+
Nu wel! En de rest gaat bijna vanzelf.
De les die ik hieruit kan trekken is:
Selecteer eerst meerdere kandidaatzetten en loop ze een voor een na. Meestal hoef je dan ook niet meer dan enkele zetten diep te rekenen. Ook in dit geval niet. Meestal is na enkele zetten al duidelijk of een bepaalde richting kans van slagen heeft of niet (zie daarvoor ook het tweede voorbeeld). Je vindt hieronder een uitgebreide analyse. Of bekijk de analyse in je browser…
Je vindt hieronder nog een voorbeeld. Zwart heeft in deze stelling meerdere kandidaten.
Wit heeft zojuist 17. f4? gespeeld. Dat was een misser. Hij verzwakt hiermee zijn eigen koningsstelling en dat blijkt dodelijk. Welke kandidaatzetten heeft zwart? Zelf keek ik vooral naar:
17. … Txh4+ en 17. … Txg3.
Maar ik zag niet dat zwart ook nog 17. … Lxg2 kan spelen. Als we de stelling wat beter onderzoeken dan valt 17. … Txg3 al snel af.
Het meest kansrijk lijkt: 17. … Txh4+ (schaakzet en dus dwingend). Dat blijkt ook een prima voortzetting. Je vindt hieronder de complete partij met diverse varianten. Of bekijk de partij in je browser…
Ik vond beide stellingen in: The Woodpecker Method (Chessable).


Waar!! De vraag blijft altijd: wanneer onderzoek je AL die zetten? een zwakke speler vindt soms ook een prachtige, goede zet, alleen het kost m veel en veel meer tijd dan een sterke schaker, die die zet onmiddellijk ZIET.
Dit is een terechte opmerking. Het hangt natuurlijk ook van de stelling af hoeveel (redelijke) mogelijkheden er zijn. Maar een aardige vuistregel is om minimaal te kijken naar 2 of 3 zetten die in aanmerking komen. Het lijkt me een goed idee om hier binnenkort aandacht aan te besteden. Een andere richtlijn is om in stellingen waarin geen gedwongen zetten zijn, antwoord te geven op de drie vragen van Jacob Aagaard:
1. Waar zitten de zwaktes?
2. Wat zijn de slechtste stukken?
3. Wat is je tegenstander van plan?
Als je die vragen beantwoordt heb je al een aardige leidraad.