Wit speelde in deze stelling 1. Td1 en zwart antwoordde 1. … Lh3. Waarom is Lh3 een blunder?
Deze stelling werd via chess.com India op Facebook geplaatst. Eerlijk gezegd had ik nogal wat moeite om te bedenken waarom 1. … Lh3 een blunder zou zijn. Deze zet verliest toch niet? Sterker: zwart staat huizenhoog gewonnen. Mat is onafwendbaar, toch?
In de mist
Het lukte aanvankelijk niet om er de vinger achter te krijgen. Mijn redenatie was: hoe kan wit mat voorkomen en zelfs winnen? Wat dat is toch meestal het geval wanneer je tegenstander blundert? Ik kwam niet verder dan:
- Wit kan eigenlijk geen behoorlijke zet doen.
- De toren op h1 en het paard op g3 doen niet mee.
- Ook de loper op e1 is een zielig stuk.
- Ik moet iets met schaak doen.
- In het beste geval heeft wit een schaakje op d8 en dan nog een spijtschaak met de dame.
Ondanks deze bespiegelingen en eindeloos (vergeefs) zoeken naar een reddende of zelfs winnende zet was ik bijna zover om dan maar te kijken wat het correcte antwoord is. Totdat…? Ja, zelfs ik zie af en toe het licht. Ik bedacht:
“Wit heeft wel heel weinig mogelijkheden. Geen pionzet. Dat paard en de toren kunnen ook al geen vin verroeren. Het zal toch niet? Inderdaad, na: 1. Td1 Lh3?? 2. Txd8+ Kxd8 3. Dd1+!! Dxd1 is het pat!”
Hoe je tegen een stelling aankijkt…?
… bepaalt veelal ook naar welke zetten je kijkt. Hier zette ik mezelf op het verkeerde been door het woord blunder automatisch te koppelen aan “dus verliest degene die blundert”. Het is me wel vaker overkomen. Ooit moest ik een test afleggen voor de cursus schaaktrainer 2. Die test kostte me weinig moeite. Het waren redelijk makkelijke opgaven. Maar eentje wilde maar niet lukken. Uiteindelijk overtuigd dat ik de overige opgaven correct had opgelost leverde ik mijn antwoorden in.
Waarom lukte het niet om die ene opgave op te lossen? De aap kwam al snel uit de mouw. Het was de enige opgave met wit speelt en verdedigt zich tegen een dreiging. Die andere opgaven waren allemaal van het type “degene die aan zet is speelt en wint”. Toen Eddy Sibbing vertelde dat ik een verdedigende zet moest doen, zag ik het meteen. Hij merkte er met een glimlach bij op:
“De vraag was: wat is de beste zet en niet wit of zwart speelt en wint!”
Kortom: objectief naar een stelling te kijken heeft zeker voordelen.
Wat had zwart moeten doen?
Eigenlijk heel eenvoudig: de druk nog een beetje verder opvoeren en een ander stuk in de strijd brengen: na 1. … Th8 is het wel over en uit voor wit.
Deze stelling zou zijn ontstaan in een partij van de bekende componist Troitzky. Of dit werkelijk zo is gespeeld? Ik vraag het me af. Feitelijk doet dat er ook niet toe. Het punt dat ik wil maken is hopelijk wel duidelijk: de vragen die je stelt zijn in hoge mate leidend voor de oplossingen die je zoekt. Dus lukt het een keer niet om een goede zet te vinden? Dan is het wellicht een goed idee om jezelf andere vragen te stellen.
Kortom: de vragen die je jezelf stelt, zijn leidend voor de oplossingen die je zoekt.

