De beste zetten zoeken en vinden

Davorin KuljasevicHeb je dat ook? Ik bedoel zo’n lekker gevoel na het oplossen van een tactische schaakpuzzel. Het is een gevoel dat we lang niet altijd hebben na het spelen van een partij. Bovendien komt de beloning ook veel sneller. Het geeft onmiddellijke bevrediging. Het is zelfs een tikkeltje verslavend. 

Die schaakpuzzeltjes zijn een beetje de ideale wereld waarin alle puzzelstukjes letterlijk op hun plaats vallen. Bovendien zijn die puzzels ook nog eens leerzaam. Je leert allerlei patronen die je ooit in een echte partij goed van pas komen als een soortgelijke situatie zich voordoet. Het oplossen van schaakpuzzels draagt bij aan je schaakeruditie. 

Schaakpuzzels zijn uitermate nuttig. Je tactische vaardigheid en intuïtie varen er wel bij. Maar er zit ook een onverwachte schaduwkant aan al dat gepuzzel.     

Verkeerde denkpatronen aanleren

Mensen zijn gewoontedieren. Daar is helemaal niks mis mee. Gewoontes maken dingen makkelijker. Je hoeft niet telkens na te denken bij de dingen die je doet. Het maakt je knettergek als je zelfs bij de meest simpele handelingen telkens moet nadenken hoe je iets doet.

Gewoontes komen niet uit de lucht vallen. Het zijn gedragspatronen die we gedurende langere tijd herhalen. Ze zijn als het ware ingesleten. Als je iets maar vaak genoeg doet, wordt het op een gegeven moment vanzelf een gewoonte. Een gewoonte ontstaat niet door iets een paar keer te doen.

Dat maakt iets nieuws leren vaak zo lastig. Het is nog geen gewoonte en voelt vaak ongemakkelijk aan. Als het dan even tegenzit stoppen we er vaak mee. Als iets nog niet in ons systeem zit is het makkelijk om te vergeten wanneer je onder druk staat. Dan nemen oude gewoontes het weer over. Dat is wel zo makkelijk en geeft minder spanning.

Tip. Een prima manier om nieuwe gewoontes aan te leren is de Kaizenmethode. Ik schreef erover op een andere website. Een relatief gemakkelijke manier om gewoontes te veranderen vind je in het boek ‘Kleine gewoontes’ van B.J. Fogg. Ook daar is de essentie dat je het in kleine stapjes doet.

Twee jaar geleden schreef ik een artikel over blunderpreventie. Mijn boodschap was dat iemand zijn elo makkelijk kan opkrikken door minder fouten te maken. Veel fouten ontstaan doordat we niet goed kijken wat onze tegenstander van plan is (of dreigt).

Dus meldde ik enthousiast dat ik voortaan bij het oplossen van schaakpuzzels eerst keek wat de mogelijkheden van mijn imaginaire tegenstander waren. In mijn enthousiasme vergat ik dat het een nieuwe gewoonte was die ik moest aanleren en tevens een bestaande gewoonte ‘eerst kijken naar mijn eigen mogelijkheden’ afleren. Gewoontes afleren is zo mogelijk nog veel moeilijker dan gewoontes aanleren. Je voelt al aan waar ik heen ga: er is uiteindelijk weinig van terechtgekomen. Dat heeft ook weer te maken met verkeerde gewoontes in stand houden. Mijn liefde voor schaakpuzzels helpt de oude gewoonte ook een meer dan stevig handje.

Bij een tactische schaakpuzzel en vast ook bij elke andere willekeurige stelling die men aan je presenteert, denk je toch al gauw in termen van je eigen mogelijkheden. Het is ook een tikkeltje onnatuurlijk om bij een schaakpuzzel eerst te denken :

“Wat kan mijn tegenstander doen?”

Het is al gauw:

“Wat kan ik spelen?” of “Hoe wint wit (of zwart)?”

Het roept de vraag op hoe we naar stellingen kijken. Maakt het verschil of je een schaakpuzzel oplost, een partij naspeelt of zelf achter het bord zit?

Hoe kijken we naar stellingen?

Eigenlijk had ik me in deze vraag nooit zo goed verdiept. Totdat ik het nieuwe boek van Kuljasevic begon te lezen. De auteur maakt daarin talloze nuttige opmerkingen. Ik beperk me hier tot het verschil tussen oplossen en analyseren. Het lijken dezelfde dingen, maar dat is beslist niet het geval.

Wanneer je in oplossingsmodus verkeert, kijk je tamelijk eenzijdig naar een stelling. Je gaat vooral uit van je eigen mogelijkheden. Je zoekt naar een oplossing. Dat is toch logisch? Want dat is de opdracht. De wetenschap dat er ‘iets’ in een stelling zit, voedt deze houding. Het maakt ook (en dat is natuurlijk positief) dat we zetten vinden waar we in een gewone partij wellicht nooit naar zouden kijken. Wanneer we analyseren en een stelling van meerdere kanten evalueren, kijken we verder dan onze neus lang is. Kuljasevic zegt op pagina 71 van zijn boek:

“In de kern is analyse het uitwerken van logische mogelijkheden in een zekere positie. Wanneer we analyseren bedenken we (vaak ongemerkt) hypotheses over bepaalde zetten, een idee of variant en testen we deze hypothesen voor beide kanten. Tenslotte vormen we een oordeel.”

Even verder:

“Wanneer je nieuwsgierig bent naar de mogelijkheden in een bepaalde stelling dan stel je jezelf vragen, zoals: Wat als…? Hoe…? Wat is het verschil tussen…? Dergelijke vragen en antwoorden gidsen je als het ware door een stelling.”

Eenzijdig denken cultiveren

Gek genoeg stel je dergelijke vragen veel minder wanneer je een schaakpuzzel probeert op te lossen. Terwijl ik dit schrijf, word ik op mijn wenken bediend door Letse grootmeester Arturs Neikšāns. Hij plaatste onderstaande stelling op Facebook. Wit is aan zet.

Wat is de beste zet voor wit?

Dit was een analysestelling naar aanleiding van een puzzel op Lichess (dus niet de puzzel zelf). Bij zijn post op Facebook merkte hij op:

“Zou je hier 1. d8D spelen en de loper ophalen? Een van de stellingen die ik niet begrijp.”

Mijn antwoord (in oplosmodus) zou zijn:

“Jan natuurlijk. Uiteindelijk blijf ik toch een pion voor!”

Als je zo denkt als ik, dan heb je het bij het verkeerde eind! Eerst de voor de hand liggende voorzetting: 1. d8D Txd8 2. Df5+ Dg6 3. Txd8 Txd8 (natuurlijk niet 3. … Dxf5?? 4. Txh8+ Kxh8 5. gxf5 en wit wint). 4. Dxf4 . We houden deze stelling over:

Stelling na 4. Dxf4

Wit heeft een pion meer. Maar dat is niet voldoende voor de winst oordeelde onder andere Emil Sutovsky. Het is trouwens ook het oordeel van Stockfish 13. Wit heeft een plusje maar meer ook niet. Overigens is het alleszins de moeite waard om zo’n stelling nog even goed uit te melken. Maar dat is niet het punt waarover het hier gaat.

Wat is dan wel een goede voortzetting?

Wellicht kom je erachter als je gaat analyseren. Je kunt wat vragen stellen, zoals:

“Wacht even, ik heb een behoorlijke greep op de stelling. De dreiging van promotie van de vrije d-pion hangt als een zwaard van Damocles boven het hoofd van zwart. Trouwens: zijn koning is ook niet zo veilig. Moet ik wel direct op promotie en mijn stuk terugwinnen aansturen of kan ik nog even wachten en eerst mijn stelling versterken?”

En:

“Wat dan? Stel nu eens dat hij zijn loper redt, heb ik dan nog wel wat?”

Emil Sutovsky geeft aan dat wit meerdere redelijke zetten heeft in de uitgangsstelling. Denk bijvoorbeeld aan 1. g5 of 1. De4+ of 1. Tde1 of 1. h5.

Opgave-Arturs-Neiksans
Welke zetten heeft wit?

Wit kan zijn stelling nog versterken door het laatste stuk dat nog niet actief was in het spel te brengen: 1. The1! Deze zet wint het met stip van de alternatieven. Hieronder vind je een analyse van deze boeiende stelling waarbij ik zeker niet pretendeer volledig te zijn. Er zit zoveel in deze stelling!

Tip. Een aardige vuistregel is om in een stelling tenminste naar een stuk of drie potentiële zetten te kijken.

Nog een voorbeeld

Een tijdje geleden keek ik naar onderstaande stelling. De stelling is afkomstig uit ‘Sicilian Warfare’ van Ilya Smirin. Hij begint de hoofdstukken in het boek met opgaven die hij later via partijen uitwerkt. De opdracht bij onderstaande stelling luidt:

“Test je Siciliaanse spieren en vergelijk wat je vindt met de varianten in het boek. Trek er zoveel tijd voor uit als nodig is. Sommige stellingen vragen om een intuïtieve beslissing en bij andere moet je goed rekenen.”

De vraag bij deze stelling was: hoe zet je de witte aanval voort? Ik ging aan de slag, zette een stopwatch aan en gaf mezelf 15 minuten de tijd om deze stelling te bekijken. Het is een partij tussen Smirin en Rytshagov (Tashkent 1984).

Wat is de beste zet voor wit?

Je voelt wel aan wat er gebeurde. Mijn hoofd stond onmiddellijk in de puzzelmodus. Ik bekeek eerst allerlei gedwongen zetten. Wit heeft een stuk geofferd. De zwarte koning staat in het midden en is bepaald niet veilig. De witte stukken zijn actief. Dus zal er wel ‘wat inzitten’? Niets leek te werken. 1. Pd5? Nou nee. Nog meer materiaal offeren op d7? Ook niet? De dame actiever neerzetten? Valt ook tegen. Tenslotte kwam ik (toeval?) een beetje in analysemodus en toen bedacht ik me:

“Als directe zetten niet werken, waarom breng ik dan niet mijn laatste stuk in de stelling? Wat kan zwart doen? Die zit toch helemaal klem?”

Smirin speelde in de partij: 17. Df3 en geeft zijn zet een vraagteken. Hij zegt er bij:

“De verkeerde aanpak – wit heeft haast om te incasseren. Ik had mijn stelling eerst maximaal moeten verbeteren met 17. Thd1 Ta7 18. a4!” Zelf kwam ik ook en nog net binnen de tijd die ik mezelf had gegeven tot deze zetten. Hieronder vind je de complete partij (die is zeer de moeite waard!).

Wat je ook niet leert van tactische opgaven

Aan het einde van een boeiende lezing in het MEC attendeerde grootmeester Ivan Sokolov zijn publiek op een ander probleem. Wat je jezelf ook niet aanleert met het oplossen van tactische puzzels is hoe je naar stellingen toewerkt waarin deze tactieken daadwerkelijk toepasbaar zijn. Daarvoor heb je eerst een opening en vaak ook nog de diverse manoeuvres in het middenspel nodig.

De conclusie is?

De moraal van het verhaal is dat de manier hoe je naar stellingen kijkt, vaak afhangt van welke vragen je stelt. Daarmee hebben we meteen het nadeel van tactische puzzels te pakken: als je er veel tijd aan besteedt, werk je verkeerde gewoontes in de hand. Je conditioneert jezelf vooral in “Wat kan ik doen?” en niet in “Wat is mijn tegenstander van plan?” Een euvel dat je vaak bij jongeren ziet, maar zeker ook bij ervaren clubschakers. Zelf heb ik er, tot mijn grote droefenis, regelmatig last van.

Het advies is:

  • Blijf vooral tactische puzzels oplossen, maar doe het met mate. Het is zeker niet de enige trainingsvorm.
  • Train gevarieerd. Dus niet alleen tactische puzzels maar ook strategische- en positionele stellingen.
  • Ga vaker stellingen en partijen analyseren. Stel lastige vragen. Kuljasevic noemt het: diepteanalyse.
  • Een lastige vraag is en blijft natuurlijk: “Wat is het idee achter een zet?”
  • Geloof niet direct wat een annotator zegt. Toets, toets en toets een beetje meer. Probeer te begrijpen wat zich op het bord afspeelt.

Nog een belangrijke tip

Daniel King vertelt in zijn DVD’s meerdere keren dat je er een bord een stukken bij moet pakken. Daniel zegt dat hij achter de computer niet goed kan analyseren. Ik heb dat advies altijd weggehoond. Natuurlijk kan ik wel via het beeldscherm met computer analyseren. Toch?

Nou dat valt behoorlijk tegen. Het werkt oppervlakkigheid in de hand. Het gaat allemaal veel te snel. Eigenlijk is het een beetje gek dat je partijen in een tamelijk hoog tempo bekijkt waar sterke schakers uren geconcentreerd mee bezig zijn geweest. Dat werkt dus niet zo goed.

Dan is er nog iets: als je bij de software van ChessBase de analyse assistent aan hebt, vertelt de computer je aan de hand van de kleurtjes van het veld waar je het stuk of pion naar verplaatst of de zet goed of fout is. Dat is natuurlijk mooi, maar ik betrap me er op dat het regelmatig leidt tot ‘raadschaak’ (= zetten raden) en niet tot zelfstandig nadenken.

Kortom: pak het bord en stukken er bij en controleer je werk achteraf met de engine. Het aardige is dat je op die manier ook minder snel in de verleiding komt om de engine aan te zetten als je er even zelf niet uit komt.

Geef een reactie